Jump to Navigation

Revaccinatie programma

Auteurs: Ellen Meijer, Sacha Zeerleder, Bram Goorhuis

 

Maanden na SCT* 4-6 5-7 6-8 12-14 13-15 14-16 24 36 5 jaar 10 jaarlijks
Vaccinaties
Pneumokokken, geconjugeerd (13 valent)
(Prevenar 13® wwsp 0.5 cc) 
X X X X            
Pneumokokken ongeconjugeerd (23 valent)
(Pneumo 23® wwsp 0.5 cc)
          X     X  
Meningokokken ACW135Y
Menveo® 0,5 cc
X     X       X    
DaKTP-HIB-HBV (1)
(Infanrix-Hexa® flacon 0.5 cc)
      X X X        
DaKTP (2)
(Boostrix polio®  wwsp 0.5 cc)
                  X
Influenza        X (3)            
Varicella zoster virus
Zostavax® flacon 0,65 cc sc 
            X(4)      

*als gestart wordt op maand 4, dan zijn de vervolgvaccinaties op maand 5, 6, 12, 13 en 14
Als gestart wordt op maand 5, dan zijn de vervolgvaccinaties op maand 6, 7, 13, 14 en 15
Als gestart wordt op maand 6, dan zijn de vervolgvaccinaties op maand 7, 8, 14, 15 en 16 

 

Maanden na SCT 4-6 12-14 14-16 16-18 2 jaar 5 jaar 5,5 jaar
Titerbepalingen              
Bepaling van pneumokokken antistoffen X X X X X X X
Bepaling van meningokokken antistoffen X X X   X    
Bepaling van VZV en mazelen IgG antistoffen       X      
  1. DaKTP-HIB-HBV = difterie, acellulair kinkhoest, tetanus, polio, haemophilus influenzae B, hepatitis B virus
  2. DaKTP = difterie, acellulair kinkhoest, tetanus, polio
  3. Afhankelijk van seizoen eventueel eerder en aan alle patiënten aan te bieden ongeacht termijn na transplantatie, jaarlijks herhalen.
  4. Het zostavax vaccin wordt geadviseerd alleen bij:
  • a) patiënten > 50 jaar
  • b) tenminste 2 jaar na allo SCT
  • c) geen immuunsuppressie gebruiken
  • d) een CD4getal > 200 hebben
  • e) geen GvHD hebben

NB1. Levend verzwakte vaccins, zoals gele koorts, rubella, bof en mazelen, mogen, op indicatie bijv. een reis naar een endemisch gebied), alleen bij patiënten na allogene stamceltransplantatie worden toegediend, indien er géén cGVHD is en er géén immuunsuppressieve medicatie meer gebruikt wordt en nooit vóór 2 jaar na de stamceltransplantatie.
 
NB2. Voor polio en tyfus bestaan zowel levend verzwakte als geïnactiveerde (dode) vaccins.
De levend verzwakte varianten dienen altijd vermeden te worden bij patiënten na allogeen stamceltransplantatie.

NB 3: Advies bij een goede respons op Prevenar, maar geen respons op Pneumovax: Prevenar dekt de 13 meest voorkomende typen, dus een goede respons hierop is verreweg het belangrijkst; pneumovax geeft additionele bescherming tegen 10 minder vaak voorkomende typen. Bij goede respons op Prevenar en onvoldoende respons op Pneumovax wordt derhalve geen antibiotische profylaxe geadviseerd en de Pneumovax na een jaar (of na staken immuunsuppressie) te herhalen, onder titercontrole.

 

Referenties

  • Bone Marrow Transplantation (2009) 44, 521–526 Vaccination of hematopoietic cell transplant recipients P Ljungman, C Cordonnier, H Einsele, J Englund, C M Machado, J Storek and T Small

Bijbehorende documenten
-

Bijlage
-

Wijziging t.o.v. vorige versie

  • Tabel Titerbepaling toegevoegd
  • verwijderd voor tabel vaccinatie: Een jaar na AlloSCT. indien meer dan 1 jaar geen immuunsuppresiva gebruik meer:
  • Pneumokokken, geconjugeerd was 13,14,15 nu maand 4-6,5-7,6-8,12-14
  • Pneumokokken, ongeconjugeerd was 18 en 5 jaarlijks. Nu 14-16 en 5 jaarlijks
  • Meningokokken ACW135Y Menveo® 0,5 cc toegevoegd is 4-6, 12-14, 36 maanden
  • Meningokokken typ C (Neisvac wwsp 0.5 cc) verwijderd was 12 maanden
  • DaKTP-HIB-HBV was 12, 13, 14 nu maand 12-14.13-15.14-16
  • Varicella zoster virus Zostavax® flacon 0,65 cc sc  toegevoegd + criteria wanneer geadviseerd
  • NB 3 toegevoegd. Advies bij goed respons prevenar, maar geen respons op pneumovax

 

MATCH-RVP-009 versie 3
Geldig 9 maart 2018

Onder beheer van afdeling: 
Hematologen