Jump to Navigation

CVC infectie

Auteur: Bart Biemond

1. Toepassingsgebied
Hematologische patiënten met (verdenking op) een infectie van de centraal veneuze katheter.

2. Doel
Beschrijven hoe te handelen bij (verdenking op) een infectie van de centraal veneuze katheter. 

3. Definities

  • CVC: centraal veneuze katheter of "lange lijn": ingebracht in v. subclavia, v. jugularis of v. femoralis 
  • Portacath: centraal veneuze katheter met subcutaan geïmplanteerd reservoir. Voor wat betreft infectieproblematiek gelijk te stellen aan CVC.
  • Katheter kolonisatie: groei van bacteriën van de tip of aansluitpunt van de katheter.
  • Tunnel infectie: tekenen van ontsteking bij de intreedplaats en subcutaan gelegen deel van de katheter.
  • Katheter infectie: infectie uitgaande van de katheter met positieve bloedkweken.
  • CNS: coagulase negatieve stafylokokken

4. Procedure
4.1 Diagnostiek

  • Kweken alléén bij verdenking op CVC infectie, dus niet routinematig
  • Kweken in geval van koorts: temperatuur bij herhaling >38 graden Celsius of éénmalig > 38.5 graden Celsius ofwel bij koude rillingen.
  • Tenminste twee bloedkweken, waarvan één uit een perifere vene vóór de start van antibiotische therapie.
  • Een CNS in één bloedkweekflesje wordt als contaminatie beschouwd, CNS wordt alleen als ziekteverwekker aangemerkt wanneer deze uit twee flesjes wordt gekweekt. Voor andere pathogenen volstaat één positief bloedkweekflesje.
  • Bij verwijderen van de CVC in verband met (verdenking) op infectie altijd de kathetertip kweken. Op het aanvraag formulier expliciet vermelden dat het om (verdenking) op infectie gaat, anders wordt de kweek niet ingezet!

4.2 Verwekkers

  • Zeker 90% van de katheter infecties in het AMC wordt veroorzaakt door coagulase negatieve stafylococcen (CNS = Staphylococcus epidermidis)
  • Andere verwekkers zijn Staphylococcus aureus, Gram-negatieve staven, Corynebacterium JK en Candida species.

4.3 Behandeling

  • Bij neutropenie: vancomycine 2x 1000 mg iv en ceftazidime 3x 1000 mg iv (grootste kans CNS, initieel gram negatieven meedekken). Voor dosisaanpassing bij gestoorde nierfunctie zie het antibioticaboekje
  • Alternatieven voor vancomycine: teicoplanin eerste dag 1x 800 mg, daarna 1x 400 mg iv. Tweede alternatief: linezolid 2x 600 mg iv (kan ook oraal gegeven worden)
  • Na bekend worden van bloedkweken zonodig CVC verwijderen (zie verder) en antibiotica aanpassen
  • Staphylocoous aureus: flucloxacilline 4x 1000 mg tenminste 14 dagen (cave metastatische abcessen)
  • Gram-negatieven: op geleide van gevoeligheid 10-14 dagen gericht behandelen.
  • In geval van CNS: vancomycine gedurende 7 dagen. Bij verdwijnen van de koorts daarna terug op Gram-positieve profylaxe (<zie profylaxe in de hematologie>). 
  • Wanneer de katheter wordt verwijderd bij infectie met CNS volstaat nabehandeling met vancomycine gedurende twee dagen.
  • Bij persisterend positieve bloedkweken onder adequate antibiotica: cave geïnfecteerde trombus.
  • Na verwijderen van de CVC worden de antibiotica via een perifeer infuus gegeven.

4.4 Indicaties voor het verwijderen van de katheter

  • Ernstig zieke patiënt met hypotensie en/of orgaanfalen ook als er (nog) geen positieve kweek is.
  • Evidente katheter poort infectie
  • Positieve bloedkweek met elke andere verwekker dan Staphylocoocus epidermidis (CNS).
  • Persisterend positieve bloedkweken met CNS of koude rillingen onder adequate (vancomycine) therapie. Cave geïnfecteerde trombus.

5. Verantwoordelijkheden

  • Verpleegkundigen zijn verantwoordelijk voor observatie van de klinische patiënten op ontstekingsverschijnselen van de CVC en optreden van koorts
  • Het laboratorium voor microbiologie is verantwoordelijk voor het uitvoeren van kweken, gevoeligheidsmeting en het doorbellen van positieve bloedkweken.
  • De zaalarts en diens supervisor zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van bovenbeschreven beleid.

6. Bijlagen en verwante richtlijnen

 

 

Geldig 10-10-2011

JHM-CVC-017 versie 4