Jump to Navigation

Bof Mazelen Rubella vaccinatie na allogene HSCT

Auteurs: Katja Wolthers (virologie) en Cynthia Huisman

Tegen BMR wordt niet routinematig gevaccineerd na allogene HSCT omdat deze vaccinatie levend verzwakte virussen bevat. Degelijke vaccinaties zijn in principe de eerste 2 jaar na allogene HSCT gecontraindiceerd.

Er doen zich echter situaties voor waarbij op individuele basis wel BMR-vaccinatie overwogen dient te worden. Denk bijvoorbeeld aan een mazelenuitbraak in een risicogebied (< 90% vaccinatiegraad) zoals de biblebelt.

Er gelden dan de volgende adviezen:

  • Contactpreventie: adviseer patiënten gebieden te vermijden waar mazelen voorkomen.
  • Patiënten die in een risicogebied wonen: vermijd plekken waar veel kinderen zijn.
  • Na contact met mazelen: titerbepaling BMR.
    Wacht deze af, de titer kan namelijk ook na alloHSCT nog adequaat zijn.
    Indien de titer negatief is: IVIG toedienen (zinvol <1 week na expositie). 
  • Bij patiënten die veel risico (gaan) lopen, bijvoorbeeld door werkzaamheden in een risicogebied: titerbepaling verrichten. Indien positief: geen actie vereist.
    Indien geen antistoffen: overweeg BMR vaccinatie, ook indien patiënt < 2 jaar na allogene HSCT is. Indien het risico op mazelen reëel is, weegt dit op tegen de (beperkte) kans op ernstige bijwerkingen door de vaccinatie.

De efficiency van BMR-vaccinatie is bij immuungecompromitteerden lager, dus de  bescherming is geen 100%.

 
Samenvattend

  • Na expositie BMR titerbepaling en zo nodig IVIG toedienen.
  • Vaccinatie individueel bepalen: ip alleen bij reëel risico op contact met ongevaccineerden.

 

Bijbehorende documenten

Geen

 

Bijlagen

Geen

 

JHM-BMR-118 versie 1
Geldig 27 september 2013

 

Onder beheer van afdeling: 
Hematologen