Jump to Navigation

Stamcelmobilisatie donor

Auteur(s): Cynthia Huisman, SCT coordinatoren


1. Toepassingsgebied

Deze SOP beschrijft de procedure die gevolgd wordt door de afdeling klinische hematologie om op een verantwoorde wijze een donor voor stamcelferese te mobiliseren.


2. Doel
Tot voor een aantal jaren werden beenmergstamcel transplantaties uitgevoerd gebruik makend van beenmerg, onder algehele anesthesie verkregen uit het bekken van de donor. Sinds 1995 wordt gebruik gemaakt van stamcellen verkregen uit het perifere bloed. Voordeel van deze methode is dat geen algehele anesthesie meer nodig is en vooral ook dat het beenmergherstel na transplantatie aanzienlijk sneller verloopt. De voordelen van deze methoden zijn dermate groot dat beenmerg alleen nog als stamcelbron wordt gebruikt als het niet lukt om voldoende stamcellen uit het bloed te verkrijgen. Dit is bij donoren vrijwel nooit het geval. 

Het proces om stamcellen in het perifere bloed te krijgen wordt stamcelmobilisatie genoemd. Bij autologe transplantatie gebeurt dit door chemotherapie (mobilisatiekuur) gevolgd door toediening van G-CSF. Bij donoren alleen met G-CSF. De stamcellen worden uit het perifere bloed verkregen door middel van leukaferese. Dit wordt het oogsten van stamcellen genoemd.


3. Procedure
 

Voorbereiding

De selectie en beoordeling van geschiktheid van de donor is beschreven in hoofdstuk A en B van het MATCH boekje: HLA typering en selectie donor. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een checklist allogene stamceltransplantatie:donor. De arts van de donor verklaart en parafeert hierin dat de donor geschikt is om de procedure te ondergaan.

Met name moet worden nagegaan of de tweede onafhankelijke HLA-typering en bloedgroepbepaling zijn verricht en of donor en patiënt inderdaad HLA-identiek zijn. Ook moet worden nagegaan of er geen actieve virusinfecties bestaan en of er sprake is van bloedgroepincompatibiliteit.

Met betrekking tot de voorlichting over de stamcelmobilisatie en oogst komen aan de orde:

  • Financiële en verzekeringsaspekten
  • Bijwerkingen van G-CSF als botpijn en wat daar tegen te doen
  • De gang van zaken bij de ferese
  • Het inbrengen en verwijderen van de lieskatheter
  • De mogelijkheid dat meerdere fereses nodig zullen zijn
  • Het al dan niet naar huis gaan met de lieskatheter
  • De (kleine) kans op het noodzakelijk zijn van beenmergoogst
  • Mogelijke complicaties als bloeding in de lies
  • Informed consent van de donor

De donor wordt rondgeleid op de fereseafdeling. Afhankelijk van mogelijkheden en wensen wordt beslist of de donor zich de G-CSF zelf zal toedienen of dat dit gebeurt door iemand uit de omgeving van de donor. De transplantatiecoördinator geeft instructie over de toediening van de G-CSF en overtuigt zich ervan dat degene die de G-CSF gaat toedienen hiertoe voldoende instaat is. Is dit voor de donor of iemand uit diens omgeving niet mogelijk dan wordt door de transplantatiecoördinator een locale hulpverlener (wijkverpleegkundige, huisarts) gezocht om de injecties te geven.

De dosering G-CSF bedraagt 10 microgram per kg lichaamsgewicht van de donor verdeeld over twee injecties in de vorm van Neupogen singleject®. Dit zijn voorgevulde spuiten verkrijgbaar in de sterktes van 300 en 480 microgram. Donoren met een gewicht onder 60 kg krijgen 2dd 300 microgram. Bij een gewicht tussen 60 en 80 kg 1dd 300 en 1dd 480 microgram en boven 80 kg 2dd 480 microgram.

De donoren ontvangen van hun arts een poliklinisch recept van de apotheek van het AMC voor de neupogen. Bij toelichting wordt vermeld: ten behoeve van stamcelmobilisatie voor allogene stamceltransplantatie bij ......., geboren..............

Zie ook; "mobilisatie en transplantatie" van protocol allogene stamceltransplantatie MATCH

Uitvoering

De eerste G-CSF toediening vindt plaats op dag -5 aan het eind van de middag/begin van de avond en vervolgens om de 12 uur, totdat voldoende stamcellen zijn geoogst. De eerste leukaferese vindt plaats op dag 0. De donor meldt zich om 's morgens vroeg (8.00) op de ferese afdeling. Status met getekende checklist en definitief aanmeldingsformulier zijn hierbij aanwezig.

Bij donoren wordt wel het CD34 aantal bepaald maar wordt de uitslag niet afgewacht en wordt onmiddellijk met leukaferese gestart. De ervaring heeft geleerd dat bij een groot deel van de donoren dan al voldoende stamcellen kunnen worden verkregen. Bij analyse van 37 donoren in het AMC (Ek et al, Bone Marrow Transplantation 2003;31:S293) bleek de opbrengst van de eerste leukaferese mediaan 7,56 x 10E6/kg (range 1,3-47 x 10E6/kg).

Benodigd aantal CD34 positieve cellen

Na oogsting worden de stamcellen vervoerd naar het stamcellaboratorium. De streefwaarde voor het aantal CD34 positieve cellen is tussen 4 en 10 x10E6/kg. Bij toediening van een hoger aantal neemt de kans op het optreden van graft versus host ziekte toe. Worden meer dan 10 x10E6/kg CD34 positieve cellen geoogst dan kunnen deze cellen worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek op voorwaarde dat de donor hiervoor tevoren zijn schriftelijke toestemming heeft gegeven (zie informed consent donor). Allogene stamcellen worden alleen in uitzonderlijke gevallen ingevroren.

Aan het eind van de dag wordt het aantal geoogste CD34 cellen doorgebeld naar de SCT coördinator in het AMC. Zijn er in één keer voldoende stamcellen geoogst dan kan de donor direct stoppen met G-CSF toediening en de lieskatheter kan worden verwijderd. Is het aantal te laag dan wordt de volgende dag opnieuw een leukaferese uitgevoerd en zonodig de dag daarop nogmaals. De donor dient dan door te gaan met G-CSF toedieningen tot en met de ochtend van de laatste leukaferese. Direct na ontvangst van de uitkomst uit het stamcellab licht de SCT coördinator telefonisch de donor en de ferese afdeling hierover en over het verdere beleid in. Indien het leukocytenaantal bij de donor voor ferese hoger is dan 70 x 10E9/l wordt de G-CSF toediening onderbroken tot het aantal onder deze waarde is gezakt. Wordt het minimum aantal na 3 fereses niet gehaald, dan wordt een minimum van 2 x 10E6/kg geaccepteerd, anders wordt er op klassieke wijze beenmerg geoogst.

Microbiele contaminatie 

Het stamcellaboratorium zorgt ervoor dat een kweek van het fereseproduct wordt ingezet. Bij een positieve kweekuitslag informeert het stamcellaboratorium de clinical director (SOP Sanquin @4849)

Omdat het fereseproduct van een donor in het algemeen direct aan de patient wordt toegediend, wordt de kweekuitslag pas na de infusie bekend. Bij een positieve kweekuitslag kan overwogen worden de patient antibiotische te behandelen. Dit is afhankelijke van het gekweekte micro-organisme en de situatie van de patient (koorts)

Nazorg voor de donor

De donor wordt uitgenodigd bij de stamcelinfusie aanwezig te zijn. Na ongeveer 6 weken wordt de donor op de polikliniek teruggezien door de transplantatie coördinator. Hierbij worden de ervaringen van de donor besproken en eventuele vragen beantwoord. 

Na dit consult stuurt de behandelend arts een brief aan diens huisarts met daarin de resultaten van de verschillende onderzoeken en het beloop van de oogstprocedure.
Relevante gegevens betreffende de donor worden vastgelegd in een database zodat bij onverhoopte late nadelige effecten de donoren kunnen worden teruggevonden.


4. Verantwoordelijkheden
 

  • De arts, van de afdeling hematologie, beoordeelt de donor via de items op de checklist. Hij/zij verklaart door het paraferen van de checklist allogene stamceltransplantatie:donor dat er geen contra-indicaties of bezwaren tegen het uitvoeren van de leukaferese en stamceldonatie bestaan. De geparafeerde checklist dient in de status van de donor aanwezig te zijn bij de ferese.
  • De arts van de donor vult het formulier " Definitieve aanmelding Aferese medisch" in. In geval van bloedgroepincompatibiliteit tussen donor en patiënt vermeldt hij de instructie om bij de leukaferese te streven naar een zo laag mogelijk aantal erytrocyten (zie: JHM ABO-018 allogene stamcel toediening bij ABO incompatibiliteit)
  • De SCT coordinator is verantwoordelijk voor de poliklinische nazorg
  • Medical director is verantwoordelijk voor de handelswijze nav een microbiele contaminatie
  • De arts is verantwoordelijk voor de correspondentie richting de huisarts
  • Verantwoordelijkheden voor de CD34 monitoring staan beschreven in de procedure JTC CDM-002; CD34 monitoring
  • Verantwoordelijkheden tijdens de ferese staan beschreven in de procedures aansluiten en fereren van patient/donor


5. LITERATUUR

N.V.T. 


6. BENODIGHEDEN

N.V.T.


7. Bijbehorende documenten


8. Bijlagen
 

Geldig 8 aug 2013
JHM SND-026 versie 5

Onder beheer van afdeling: 
Hematologen